Logo


02 september 2010 17:27

Cobra.be als startpagina

Toon de tekst in de standaard lettergrootte Toon de tekst groter Toon de tekst extra groot


Agenda:


blog/Het Leven Is Elders

Dood op een eiland

Gezien de jeugd van mijn stad weer massaal vuurwerk heeft ingeslagen (zie hier), snakte ik ver weg te zijn van de warmte van mijn mededieren. Ik verlangde naar een nacht die als een zwaar deken op me zou liggen. Daarom werd het een waddeneiland. Op Vlieland mogen geen auto’s komen. Het bestaat uit één dorp.

De gigantische veerboot die naar gefrituurde snacks rook, geselde zeehonden uit de Noordzee. De eilandjongens wisten verbazend snel contact te leggen met import-leeftijdgenoten. De donkere nachten en schaarse cafés maakten je waarschijnlijk behendig en weinig kieskeurig. Aangemoedigd door de ontluikende kruisbestuivingen besloot ik een blondine aan te spreken. Ze zat al een uur naar buiten te staren. Haar ogen lagen diep en droevig. Ik bood haar een kop koffie aan. Ze schrok, sloeg af en op de vlucht. Letterlijk, ze holde het dek af. Even was ik bang dat we een springer aan boord hadden. Had ik als vastelander een gruwelijke culturele faux pas begaan? Ik checkte mijn gulp. Fatsoenlijk dichtgeknoopt. Dat kon het niet zijn.

Bij het aan wal gaan zag ik haar niet meer. Ik volgde een paar dagen het regionale nieuws maar er kwam geen prachtig doch ontzield lichaam bovendrijven. Ondertussen waren de stranden witbesneeuwd en verlaten, de zee als rollend graniet. Ik ging op de top van een duin staan, zag het wolkendek op me afdeinzen, voelde iets nietzscheaans. Ik had zin in dure beloftes maar kon niets verzinnen. ’s Nachts hoorde je alleen het dichtklappen van vossenvallen. Een invasieve exoot die hier niets te zoeken had.

In een café zat een eilander die heel hard zijn best gedaan om er als een eilander uit te zien. Rubberen laarzen, een witte zeehondensnor als twee bollen wol op zijn roodbeaderde wangen geplakt. Hij bood mij iets plaatselijks aan. Uit antropologische overwegingen zei ik ja.

meer lezen …

Gezellig fikkie

Het waren lange gangen van een grimmig soort Versailles. Ik werd achternagezeten door een schim met een pistool. Af en toe verwondden de kogels me maar zonder me te doden.

 Toen ik mijn ogen opende, bleef ik de droge knallen horen. Ik keek uit mijn slaapkamerraam. Op een straathoek liet een dikkige jongen van een jaar of tien voetzoekers knallen. Hij was alleen en keek triest. Een half uur later stopte hij ermee en wandelde weg.

 Al een paar weken lang dreun ik op onregelmatige tijdstippen mijn bed uit. Ik woon in een lange en hoge winkelstraat. Wat ik mis aan autogeraas, wordt gecompenseerd door dronken tieners die hun nachtelijk gezang en urinegeklater heerlijk vinden weerschallen tussen de rolluiken. Als het einde van het jaar in zicht is, bewapenen ze zich met gillende keukenmeiden, Romeinse kaarsen, strijkers, lawinepijlen, zevenklappers en Chinese vlinders. Hoewel er een verbod op is, schrikt stilteminnnend Nederland zich in de maand voor Oud en Nieuw voortdurend het leplazerus.

meer lezen …

4th of July: een soort Werchter

Het is zeker ook zoals je je dat voordien voorstelde: mensen, in alle soorten en formaten, met Amerikaanse vlaggetjes of de Amerikaanse vlag of landkaart op hun t-shirt, petje, sweater, baskettrui of als tattoo op hun wang. De Nationale Feestdag wordt hier groots, intens en met overgave gevierd. Een partijnaam als ‘Trots op Amerika’ zou hier belachelijk gevonden worden, want nagenoeg iedereen is trots op Amerika en deelt je dat ongevraagd mee. En op 4 juli is het dus alle remmen los.

Weinig mensen associëren Amerikanen – die herauten van de beeldcultuur – met woorden. Toch staan teksten hier centraal. In de politiek gaat geen dag voorbij zonder te verwijzen naar beroemde toespraken van illustere voorgangers. En op 4 juli is dat nog veel meer het geval, want dan wordt herdacht hoe op die dag in 1776 de Declaration of Independence werd ondertekend. In de National Archives, waar het origineel wordt bewaard, wordt die tekst elk jaar opnieuw voorgelezen en daar komt veel volk naar kijken.

Als hoofdstad is Washington uiteraard het centrum van het gefeest. De Mall, het centrale grasveld tussen het parlement en het Washington Monument, is the place to be. Al die met vlaggetjes getooide Amerikanen en ook opvallend veel toeristen komen daar samen om te eten, te drinken en in het gras te liggen.

Net als in alle overheidsgebouwen en musea moet je ook hier eerst door de beveiliging. Vervolgens: religieuze gezangen van Amish. En dan, toch wel opvallend in dit land van vleeseters, promostands voor vegetarisme – onderdeel van een informatiecampagne over Oosterse wijsheden en leefgewoonten. De met kralen omhangen Aziatische promojongen is perfect geïntegreerd in Amerika: ‘Would you like to medidate, for seven minutes‘.

Maar zelfs die tijd hebben we niet, want we moeten natuurlijk dringend in het gras gaan liggen met een megabeker cola, waarop, voor de gelegenheid, de patriottische en ecologische boodschap 1 zijn. Vandaag redden we het land door onze wegwerpbekers in de afvalbakken te werpen.

Die bakken staan handig opgesteld, onderweg naar de tenten waar de cultuurdragers van het onvolprezen Smithsonian Institution hun jaarlijkse Folklife Festival houden. Gratis, alweer. Onder meer Texas staat centraal in deze editie en dus komen erg feestelijke TexMex en Western Swing ons tegemoet gewaaid. Nooit van gehoord, al klinken ze zo vertrouwd als de Boswell Sisters en Andrew Sisters – de Quebe Sisters: engelachtige samenzang, opzwepend gefiddle en een scheutje swingjazz. Oud en jong op de houten dansvloer. Halleluja.

Nog meer redenen om de Heer te prijzen in de volgende tent. The Original Soul Invaders hebben geen eigen website, maar wel de meest oogverblindende overhemden die vandaag nog op de markt zijn. Maar bovenal: wat een stemmen! Ik wist niet dat er na Bobby Womack nog soulzangers van deze orde waren opgestaan. Een mix van gospel en jaren60-soul in een godlovende improvisatie van een klein half uur die de leadzanger dusdanig uitputte dat hij hulp nodig had van een jonge rapper uit de zaal.

Daarna was het de beurt aan de grote Guy Clark – minder bekend dan Johnny Cash, Ricky Skaggs en Lyle Lovett, al namen ze allemaal songs van hem op. De singer-songwriter was nog herstellend van een beenbreuk en stond wat wankel op het podium, maar zijn songs en grapjes leden er allerminst onder. ‘We have no setlist. We have no agenda. We have no clue. But we have no fear’.

Iets over negen begon dan het vuurwerk. Beslist niet horizontaal (zoals bij Antwerpen 93), maar, nu ja, Amerikaans in zijn kwantiteit. Live op de televisie en zelfs The Washington Post drukt de volgende dag een grote vuurwerkfoto af op de eerste pagina, maar achteraf gezien was de apotheose misschien toch het minst memorabele onderdeel van de dag.